Klink (2): Geneste hiërarchie

Klink continues his review of the book from Peter Borger. Scientists are very creative in finding explanations, but it is difficult to test something that happened or not happened in the past.

Klink vindt common desgin niet wetenschappelijk: Een centraal element in Borgers verhaal is bijvoorbeeld common design: de overeenkomsten tussen organismen zijn het resultaat van onafhankelijke scheppingsdaden van een gemeenschappelijke Ontwerper, niet van gemeenschappelijke afstamming. Dit is echter onmogelijk empirisch te toetsen. Hoe kunnen we immers weten wat het gevolg is van gemeenschappelijk ontwerp en wat van naturalistische processen? Borger blijft het antwoord schuldig. Daarmee is zijn common design onwetenschappelijk. In zijn nieuwe boek komt dit common design-onderwerp niet als zodanig aan de orde of herken ik het in elk geval niet als centraal element, maar een centraal concept is wel het bestaan van baranomen. Alle grote katachtigen hoorden tot dezelfde soort met een veel groter pakket aan genen, maar door genetic drift en dergelijke zijn afzonderlijke soorten ontstaan die verschillen. De totale variatie samen geeft een indruk van het oorspronkelijke genenpakket, het baranoom. In hoeverre dat bruikbaar is, wil ik later bespreken. Voor nu hou ik het erbij dat het alternatief – gemeenschappelijke afstamming van eencellige tot aan de mens ook niet houdbaar is. Het baranoom is in mijn ogen realistischer.

Klink vervolgt: Een ander probleem met bovennatuurlijke verklaringen is dat de wetenschapsgeschiedenis heeft geleerd dat ze keer op keer werden vervangen door naturalistische. Wetenschap ‘ontbovennatuurlijkt’. Blikseminslag wordt niet meer gezien als een act Gods, maar als het gevolg van fysische wetmatigheden. Hetzelfde geldt voor het ontstaan en verspreiden van ziektes. De naturalistische verklaring blijkt ook nog eens vruchtbaarder: bliksemafleiders en inenting werken beter dan gebed. Naturalisme is geen dogma in de wetenschap, het is het enige uitgangspunt dat blijkt te werken. Met de kanttekening dat het blikvernauwend werkt, omdat je bovennatuurlijke oorzaken a priori uitsluit. In een omgeving waarin onderwijs aan jonge mensen wordt gegeven, is het wel essentieel om dit duidelijk voor het voetlicht te brengen. En het uitgangspunt dat wij mensen uit eencelligen zijn geëvolueerd mag dan een natuurlijke verklaring heten, zolang het niet bewezen is, verschilt het weinig van een bovennatuurlijke verklaring.

Klink vervolgt: Borger heeft overigens nog steeds een Popperiaanse visie van wetenschapsfilosofie (p. 22-25), wat hedendaagse wetenschapsfilosofen terecht als te naïef en onrealistisch hebben verworpen. Dat klopt, bij Borger mist bijvoorbeeld dat waarnemingen theoriegeladen zijn. De implicaties zijn wat mij betreft dat de darwinistische theorie met nog meer slagen om de arm moet worden behandeld.

Vervolgens heeft Klink het over een elementaire fout: Het is elementaire logica dat als twee verklaringen elkaar uitsluiten, er ten minste één fout is, maar dat niet automatisch de ander goed is. Dit zou namelijk alleen opgaan als deze twee verklaringen het logische domein der mogelijkheden zouden uitputten, maar dat is vrijwel nooit het geval in de (natuur)wetenschap. Het zou derhalve een evidente fout zijn om in de wetenschap te concluderen dat verklaring A juist is omdat B onjuist is. Toch is dit precies wat Borger, en creationisten in het algemeen, vaak doen: als de evolutietheorie onjuist is, moet het creationisme wel waar zijn. Stichting ‘De Oude Wereld’, die Borgers boek heeft uitgegeven, spreekt op haar website over “twee wetenschappelijke ontstaansmodellen”. Blijkbaar zijn er volgens hen geen andere mogelijkheden. Dit is een drogreden (vals dilemma) en wetenschappelijk naïef. Het zou immers goed kunnen zijn dat, als de evolutietheorie onjuist zou blijken te zijn, er een andere niet-creationistische verklaring bestaat die haar vervangt. Ik ben het hier niet mee eens. Borger verwerpt de evolutietheorie van Darwin, maar stelt er een andere theorie tegenover. Dat een stichting De Oude Wereld dat doet, kan ik me indenken, maar als Borger dit doet, had dat van mij geïllustreerd mogen worden met citaten.

Klink vervolgt: Borger meent dat common descent with modification onweerlegbaar is, omdat alle overeenkomsten toegeschreven worden aan de gemeenschappelijke afstamming en alle unieke eigenschappen aan de modificatie (p. 26). Maakt dit het hele idee van gemeenschappelijke afstamming met modificatie niet inderdaad onweerlegbaar? Nee, omdat er alleen een bepaald patroon (geneste hiërarchie) verwacht mag worden, en niet elk willekeurig patroon. Bij dieren bijvoorbeeld komen eens goed gescheiden evolutionaire lijnen niet weer bij elkaar. Daarom kunnen denkbeeldige wezens als een sfinx (mens en leeuw) of een centaur (mens en paard) niet bestaan. Ook een paard met vleugels of een vogel met een placenta kunnen niet bestaan. Dit komt doordat vanuit gemeenschappelijke afstamming slechts in beperkte mate modificaties mogelijk zijn. Daardoor kan een paard nooit zomaar vleugels op zijn rug krijgen. Dát zou een weerlegging van common descent with modification betekenen. De variatie die mogelijk is, is niet onbeperkt, maar is afhankelijk van het genenpakket, stelt ook Borger. Maar Klink voegt daaraan toe: dit komt door de gemeenschappelijke afstamming. Borger noemt ook diverse voorbeelden van “paarden met vleugels”, bijvoorbeeld het vogelbekdier, dat net als vogels over een snavel beschikt. Klink zal daar ook wel iets op weten (volgt straks).

Klink vervolgt: Hoe zit het dan met convergente evolutie, die resulteert in homoplasieën? Denk bijvoorbeeld aan de hydrodynamische lichaamsvormen van walvissen en vissen. Walvissen zijn geen vissen, maar toch hebben ze een vorm die lijkt op die van vissen. Dit is geen weerlegging omdat vrijwel alle andere eigenschappen de walvissen binnen de groep van de zoogdieren plaatsen, en niet binnen die van de vissen. De oppervlakkige overeenkomst in lichaamsvorm is het gevolg van dezelfde aanpassingen aan het milieu, en die kunnen onafhankelijk van gemeenschappelijke afstamming optreden. Homoplasie door convergente evolutie komt ook voor op moleculaire schaal, naast overeenkomsten die toevallig ontstaan zijn doordat onafhankelijk van elkaar dezelfde mutatie op dezelfde plek is opgetreden. Hiermee is elke evolutiebioloog goed bekend en er zijn vrijwel altijd goede technieken om deze ruis in het fylogenetische signaal te omzeilen. Ook dit is te vinden in elk handboek evolutiebiologie (zie bijvoorbeeld hier). Ook hier praat Klink de handboeken na, zonder te begrijpen hoe dit dan kan. Het kan toch ook niet zo zijn dat al die boeken en artikelen die ooit geschreven zijn en peer reviewed, fout zijn. Nee, rechter Jones kon zich dat niet voorstellen en Klink ook niet.

Klink vervolgt:  Wat gemeenschappelijke afstamming ook zou weerleggen, is als afstammelingen in het fossielenbestand zouden verschijnen vóór hun vermeende voorouders. Er mogen dus geen fossielen van mensen gevonden worden voor die van de eerste primaten, en geen primaten voor de eerste zoogdieren. Helemaal problematisch zou een konijn in een Precambrische laag zijn, zoals de eminente evolutiebioloog J.B.S. Haldane ooit opperde als potentiële weerlegging. Dit soort fossielen op ‘verkeerde’ plaatsen worden dan ook niet aangetroffen, terwijl het gemakkelijk had gekund als alle organismen tegelijk geschapen zouden zijn, zoals Borger en andere creationisten geloven. Het fossielenbestand had gemeenschappelijke afstamming gemakkelijk kunnen weerleggen, maar het is er juist een prachtige bevestiging van, zoals paleontoloog Donald Prothero laat zien in zijn voortreffelijke boek (Prothero 2007). Daarnaast had het Borgers verhaal makkelijk kunnen bevestigen, maar is het er juist een weerlegging van. Hier kom ik toch echt even op een punt dat ik denk dat Klink een stropop bestrijdt. In elk geval gebruikt Borger in 2021 het fossiele archief als argument dat variatie plotseling verschijnt. Er is geen graduele ontwikkeling, zoals Darwin zich die voorstelde. Darwin dacht dat die wel gevonden zou worden, naarmate het onderzoek voortschreed. Maar dat is ook nu niet het geval. Verder houdt Borger zich volgens mij niet met fossielen bezig.

Klink vervolgt: Borger voert ook het vogelbekdier aan als probleem voor gemeenschappelijke afstamming (p. 26-27). Is de ‘eendenbek’ van dit zoogdier niet een weerlegging? Zoogdieren mogen toch geen snavels hebben?, suggereert Borger. Inderdaad, en dat hebben ze ook niet. Dat weet hij als bioloog vermoedelijk best, maar blijkbaar kan hij het niet laten om de goedgelovige lezer te suggereren dat dit wel zo is. De vorm van de bek van het vogelbekdier lijkt inderdaad een beetje op die van een vogel, maar is zowel qua bouw als weefsel totaal anders. Ook de rest van het lichaam is totaal anders dan dat van vogels. Een vogelbekdier heeft geen snavel, heeft niets met vogels te maken en is dus ook geen weerlegging. Klink had het over paarden met vleugels, maar wat te denken van vleermuisvleugels en vogelvleugels? De vleugels van een vleermuis lijken inderdaad een beetje op die van vogels, maar zijn zowel qua bouw als qua weefsel totaal anders …

Klink (3) Ultrageconserveerde genetische elementen

2 reacties

  1. […] Klink (2) Geneste hiërarchie […]

  2. […] 19 december 2021: Op Altenoweb wordt de recensie van drs. Bart Klink van de eerste editie van het boek van dr. Peter Borger (zie 10 december 2009) uitgebreid besproken. Op deze dag verschijnt het tweede deel.4 […]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: